Ik houd van eilanden. Eilanden zijn begrensd. Je eindigt er altijd waar je begonnen bent en echt verdwalen kun je er niet. Een eiland doet alles zelf, zonder hulp van buiten. Een eiland creëert met wat het zichzelf te geven heeft. Wat zich aan het oppervlak manifesteert komt van diep onder de grond. De kust van een eiland is verdedigbaar. Niet zozeer in militair als wel in natuurlijk opzicht. Een eiland kent geen kunstmatige landsgrenzen, de kust bepaalt zijn omtrek. Een eiland is altijd zichzelf. En, zoals een beroemd duo ooit zong, een eiland huilt nooit.
Ik haat de zee. De zee geeft en de zee neemt, maar ik hoef niets van de zee en toch neemt zij. De zee is onvoorspelbaar, rusteloos en heeft geen eerbied voor de beperkingen van het eiland. Sommigen zeggen dat de zee het eiland vormt, maar dat weiger ik te geloven. Ik weet dat de zee soms land achterlaat, maar dat staat in geen enkele verhouding tot wat er gebeurt als ze het eiland overspoelt. Niets laat de zee heel en over haar bodem waren slechts mythes en legendes over lang vervlogen beschavingen.
Ik ben een meer. Net zo rond als een eiland, net zo eindeloos in mijn begrenzing. Aan mijn oevers groeien riet en andere planten die vogels beschutting bieden tijdens het foerageren, slapen of broeden. Binnen in mij zwemmen vissen en andere waterdiertjes in hun eigen, gesloten biotoop. Het is niet moeilijk ze te onderhouden. Ik bezit alles wat ze nodig hebben en wat de zon mij ontneemt geeft de hemel mij in de vorm van regen terug. Alles wat ik ben komt uit mijzelf voort. Hulp van anderen wijs ik af. Ik wil geen verandering. Ik ben goed zoals ik ben. Ik mag dan vaak roerloos scherp de maan weerspiegelen alsof er niets onder mijn wateroppervlak gebeurt, oppervlakkig ben ik zeker niet. Stille wateren hebben diepe gronden.
En toch…
Toch houd ik zielsveel van een rivier. Een woeste watermassa die zich kolkend en brullend over mij uitstort. Een eindeloze stroom die niet te stoppen is en mij ver buiten mijn oevers doet treden. Daar zie ik hoe nieuw leven ontstaat in vers gevormde poelen die als gezwellen aan mijn lichaam worden gevormd. Jong, groen blad dat leven aantrekt dat ik nooit eerder mocht aanschouwen. Wormen die krioelen in de modder, amfibieën die het water ontvluchten en andere dieren uit het bos lokken die op hun beurt weer leven uit de lucht aantrekken. Ik houd mijn adem in bij het zien van deze chaos die zoveel moois brengt, maar als de rivier zich weer terugtrekt verdwijnt al dit nieuwe leven net zo snel als het gekomen is. Als ik mijn oude vorm weer terug ingenomen heb, blijf ik achter met het gevoel dat ik minder ben dan waarmee ik in eerste instantie begon.
Soms, als de maan op haar hoogst staat en zelfs de vogels in de bomen hun gezang in spanning staken, is de rivier net zo stil als ik. Dan raken onze wateren elkaar als vingertoppen die zachtjes elkaars lichaam aftasten zonder de grenzen van hun eigen bestaan te buiten te gaan. Als we elkaar op dat moment los zouden laten, zou je twee machtige waterkolommen spiegelend rechtop zien staan als een slechts door Mozes en zijn gevolg eerder aanschouwd wereldwonder.
Maar nu heeft de rivier zich teruggetrokken. Hij wil alleen gelaten worden.
‘Ik wil rust,’ schreeuwt de rivier over mijn stilstaande water. ‘Laat me met rust!’ En hoewel ze beter moesten weten, steunen de bewoners van de hemel hem.
‘Het is goed dat je afstand neemt, rivier. Neem je tijd. Zet je gedachten op een rijtje, wij zullen je niet lastig vallen. Het is goed wat je doet. Jij bent goed, rivier. Doe wat je moet doen.’
De laatste wolken verdwijnen en de zon schroeit en brandt de aarde zonder mededogen. Ook de beekjes uit de bergen houden hun watervallen in. Eensgezind stemmen zij in met het verzoek van de rivier. In de verte klinken slechts iel een paar onbetekenende stemmetjes: ‘leugenaar, leugenaar.’ Een zwaan veroorzaakt een stervende rimpeling die mij een laatste maal zijn water laat raken, dan volgt de droogte.
Ik zie de oevers van de rivier langzaam tevoorschijn komen. Bruine, stinkende modder die snel droogt in de zon en een lijnenspel van littekens aan het daglicht brengt. Het riet dat de woeste adem van de rivier nooit kon weerstaan, verbergt nu de ooit zo grillige waterloop. Ik voel de neerslachtige ellende van jaren droogvallen.
Dan kijk ik naar mijn eigen oevers. Ook mijn oppervlak daalt en in de even smerige modder zie ik exact dezelfde littekens verschijnen. Zwaluwen nestelen erin. Ik voel de angst diep in mij steeds heviger spartelen. Een visarend ziet zijn kans schoon en cirkelt in de lucht boven mij.
Ik kijk omhoog in de zon die mij verblindt. Wat kan ik anders nog doen? Omhoog kijken en voelen hoe mijn huid brandt. Een vuur dat mij pelt en mijn wezen laagje na laagje blootlegt en schaamteloos aan de buitenwereld tentoonstelt. Ik wil niets meer zien en staar omhoog. Langzaam ontneemt de zon mij alle zicht. Zo eindig ik. Blind en wachtend op de zondvloed.












